1. De jongen die de bal verloor, bleef kalm in een noodsituatie 2. De jongen die samenwerkte, deed dat perfect 3. De jongen die voetbalde, was bijzonder slim 4. De jongen die de bal doorgaf, was vindingrijk en snel van begrip 5. De volwassene die naar de wedstrijd keek, had tranen in zijn ogen